Meu Canto
No meu canto, não escondo, vou dizendo de vereda
Sou brasa de labareda e ferrão de marimbondo
Desde que o mundo é redondo, não tem esquina nem canto
Amigos, eu lhes garanto, quando este mundo acabar
Com certeza, vai ficar a verdade do meu canto
Meu canto guarda o estilo das fontes de geografia
Quando o gaúcho nascia abarbarado e tranquilo
Meu canto é o canto do grilo dos tempos de antigamente
Que pode ser estridente, mas jamais ultrapassado
Porque o canto do passado é o bebedor do presente
Meu canto lembra o relincho e sanga de pedregulho
Meu canto lembra o mergulho da manada de capincho
Meu canto evoca o bochincho quando o candeeiro se apaga
Ali onde ninguém indaga, nem quem foi e nem quem é
Se é crioulo de Bagé, Santana ou São Luiz Gonzaga
Canto que evoca o rodeio e a ronda de uma tropeada
E a velha gaita acordada resmungando num floreio
Canto que lembra o rio cheio e a clarinada de um galo
Canto que adoça o embalo de uma xirua que implora
Que a gente não vá se embora e desencilhe o cavalo
Canto de lida e serviço cheirando a chão de mangueira
Sovado uma vida inteira, de certo, mesmo por isso
Conserva aquele feitiço que nós todos conhecemos
Herança que recebemos não se compra e não se vende
Por isso, o povo me entende e todos nos entendemos
Aos que condenam meu canto de cousas que já passaram
Dizem que muitos cantaram e chega de cantar tanto
Contra isso, eu me levanto sem procurar desafetos
Não se apagam com decretos heranças de todos nós
Não vou matar meus avós pra ficar de bem c'os netos
Não vou matar meus avós pra ficar de bem c'os netos
Mijn Lied
In mijn lied, verberg ik niets, ik spreek over de paden
Ik ben de gloed van het vuur en de steek van de wesp
Sinds de wereld rond is, zijn er geen hoeken of kanten
Vrienden, ik verzeker jullie, als deze wereld vergaat
Zal de waarheid van mijn lied zeker blijven bestaan
Mijn lied bewaart de stijl van de bronnen van geografie
Toen de gaucho geboren werd, onverschrokken en kalm
Mijn lied is het gezang van de krekel uit vervlogen tijden
Het kan schril zijn, maar nooit achterhaald
Want het gezang van het verleden is de drinker van het heden
Mijn lied herinnert aan het hinniken en de grindweg
Mijn lied herinnert aan de duik van de kudde van capincho
Mijn lied roept de chaos op als de lamp dooft
Daar waar niemand vraagt, noch wie was, noch wie is
Of het nu een creool is uit Bagé, Santana of São Luiz Gonzaga
Lied dat het rodeo oproept en de ronde van een kudde
En de oude accordeon die mopperend een melodie speelt
Lied dat de volle rivier herinnert en het gekraai van een haan
Lied dat de wieg zoet maakt van een xirua die smeekt
Dat we niet weggaan en het paard niet afzadelen
Lied van arbeid en dienst, ruikend naar de grond van de mangueira
Gekneed een leven lang, dat is zeker, daarom
Behoudt het die betovering die we allemaal kennen
Erfgoed dat we ontvangen, dat koop je niet en verkoop je niet
Daarom begrijpt het volk me en begrijpen we elkaar
Aan degenen die mijn lied veroordelen over dingen die al voorbij zijn
Zeggen dat velen gezongen hebben en dat het genoeg is met zoveel gezang
Tegen dit verzet ik me zonder vijanden te zoeken
Erfgoed van ons allemaal kan niet met decreten gewist worden
Ik ga mijn grootouders niet doden om goed te zijn met de kleinkinderen
Ik ga mijn grootouders niet doden om goed te zijn met de kleinkinderen
Escrita por: Jayme Caetano Braun / Pedro Ortaça