Fala da Mulher Sózinha
Já estou louca de estar só acompanhada de nada
Já estou cheia de ser rua tão corrida, tão pisada
Já estou prenhe de amizade
Tão barriga de saudade
Ai, eu ainda um dia irei rasgar a solidão
E nela entrelaçar o olhar duma canção
Chegar ao cume, ao cimo, ao alto
Mais longe e mais além
Mas a saber que sou alguém
Na cidade sou loucura, ou begônia, sou ciúme
Eu que sonhava ser lume, caminho, atalho e lonjura
Não tenho acento na festa
Sou a migalha que resta
Praat van de Alleenstaande Vrouw
Ik ben al gek van het alleen zijn, zonder iets om me heen
Ik ben het zat om zo'n drukke, platgetreden straat te zijn
Ik ben vol van vriendschap
Zo vol van heimwee
Oh, ik zal op een dag de eenzaamheid verscheuren
En daarin de blik van een lied verweven
De top bereiken, de hoogte, het ver weg
Verder en verder
Wetende dat ik iemand ben
In de stad ben ik gekte, of een begonia, ben jaloezie
Ik die droomde van vlam, pad, afsnijding en afstand
Ik heb geen plek op het feest
Ik ben de kruimel die overblijft
Escrita por: Eduardo Olimpio / Paco Bandeira