La beauté du coeur
À tous les utopistes et à tous les rêveurs, tous les fraternels de ce monde
À mes frères anarchistes, à la beauté des fleurs, cette petite fille sous les bombes
Dessinons une étoile comme une destination, créons de sa plume orpheline
Ces gens aux bras ouverts qui offrent l’horizon aux yeux de ces enfants de l’exil
À celui qui héberge celui qui bosse sans toit au migrant accueilli en chemin
Au soignant tenant main à celui qui s’en va au mendiant à l’offrande du vin
À l’alcool partagé à celui qui a froid à celui qui offrira son pain
À ces gens dont la vie reste le seul combat, celui dont survivrait le destin
A celle qui donnera le sein à l’orphelin, à ceux dont le seul dieu est partage
A la mère pardonnant un jour à l’assassin, de son enfant sachant le naufrage
Que la haine faite ici consomme la vengeance, celui dont le cœur reste amour
A ces âmes éclairées qui n’ont pour seule violence que les larmes à leurs yeux en tambour
À l’animal courant droit vers le sacrifice de sa vie pour sauver son maître
À celui se jetant corps dans le précipice pour remonter le corps d’un autre être
À celui dans les flammes qui sacrifie sa vie pour tenter de sauver un berceau
À l’oiseau dont les ailes blessées par le fusil recouvrent leur envol pour là-haut
À ces chants de marins, la nuit venant du large, ami trinquons nos vins nos sanglots
C’est à l’encre des yeux que s’écrivent nos pages aux mémoires de ceux partis là-haut
Aux étoiles éclairant l’univers de la nuit des prénoms de nos amis morts
A ces soleils toujours faisant naître la vie des ténèbres en accouchant l’aurore
Au partage de l’avoir pour la beauté de l’être puisque c’est notre histoire, malheureux
Toujours la lutte entre l’être ou bien le paraître, entre le milliardaire et le gueux
À celui dont la gloire, oui se compte en offrant bien plus qu’en nombre de diamants
À ces gens qui n’ont rien que leur propre vie Si tu savais comme leur cœur est grand
À ces adolescents pavés contre matraques pour lever vers le ciel tête haute à la mort
Ces fous magnifiques leur rose face aux chars corps des disparus de ces navires sans port
Qui seuls face au naufrage, bravant tous les typhons dans la brume soudain aperçoivent une plage
À celui dont l’amour le laisse sur un carrefour comme on laisse une balise, comme on laisse un bagage
À la femme violée redécouvrant tendresse, ses enfants battus découvrant la caresse
Quand l’amour vous offre la délicatesse, au croyant sans église redécouvrant la messe
À toute l’humanité dans ce mouchoir tendu à celui dont les yeux s’inondent sous les crues
Contre tous les outrages, contre toutes les moqueries
Il n’est pas de plus grand courage qu’être gentil (ter)
Contre tous les outrages, toutes les moqueries
Il n’est pas de plus grand courage qu’être gentil
De schoonheid van het hart
Aan alle utopisten en aan alle dromers, aan alle broeders van deze wereld
Aan mijn anarchistische broeders, aan de schoonheid van de bloemen, dat kleine meisje onder de bommen
Laten we een ster tekenen als bestemming, creëren met haar weespen
Die mensen met open armen die de horizon bieden aan de ogen van deze kinderen van de ballingschap
Aan degene die onderdak biedt aan degene zonder dak, aan de migrant die onderweg wordt verwelkomd
Aan de zorgverlener die de hand vasthoudt van degene die vertrekt, aan de bedelaar met de wijnoffer
Aan de gedeelde alcohol, aan degene die het koud heeft, aan degene die zijn brood zal geven
Aan deze mensen wiens leven de enige strijd blijft, degene wiens lot zou overleven
Aan degene die de borst zal geven aan de wees, aan degenen wiens enige god delen is
Aan de moeder die op een dag de moordenaar vergeeft, van haar kind wetende het schipbreuk
Dat de haat hier de wraak consumeert, degene wiens hart liefde blijft
Aan deze verlichte zielen die geen andere geweld hebben dan de tranen in hun ogen als een trommel
Aan het dier dat recht naar het offer van zijn leven rent om zijn meester te redden
Aan degene die zich in de afgrond werpt om het lichaam van een ander wezen omhoog te halen
Aan degene in de vlammen die zijn leven opoffert om een wieg te proberen te redden
Aan de vogel wiens vleugels door het geweer gewond zijn, maar hun vlucht weer oppakken naar boven
Aan deze zeemansliederen, de nacht komt van de zee, vriend laten we proosten met onze wijnen en onze snikken
Het is met de inkt van de ogen dat onze pagina's worden geschreven in de herinneringen van degenen die daarboven zijn gegaan
Aan de sterren die het universum verlichten in de nacht met de namen van onze overleden vrienden
Aan deze zonnen die altijd het leven doen ontstaan uit de duisternis door de dageraad te baren
Aan het delen van het hebben voor de schoonheid van het zijn, want dat is ons verhaal, ongelukkigen
Altijd de strijd tussen zijn of schijn, tussen de miljardair en de arme
Aan degene wiens glorie, ja, wordt geteld door veel meer te geven dan in aantal diamanten
Aan deze mensen die niets hebben dan hun eigen leven, als je maar wist hoe groot hun hart is
Aan deze tieners die zich verzetten tegen de knuppels om met opgeheven hoofd naar de dood te kijken
Deze prachtige gekken met hun rozen tegenover de tanks, lichamen van de vermisten van deze schepen zonder haven
Die alleen tegenover het schipbreuk, alle tyfoons trotserend, plotseling een strand zien
Aan degene wiens liefde hem op een kruispunt achterlaat, zoals je een baken achterlaat, zoals je bagage achterlaat
Aan de vrouw die verkracht is en de tederheid herontdekt, haar kinderen die geslagen zijn en de streling ontdekken
Wanneer de liefde je de delicatesse biedt, aan de gelovige zonder kerk die de mis herontdekt
Aan de hele mensheid in deze uitgestoken zakdoek aan degene wiens ogen overstroomd worden door de overstromingen
Tegen alle beledigingen, tegen alle spot
Er is geen groter moed dan vriendelijk zijn (ter)
Tegen alle beledigingen, tegen alle spot
Er is geen groter moed dan vriendelijk zijn