Heimoni Kunniaa Pohjola Julisti
Koittipa vihdoin Väinämön aika,
Suomeni sankari-aika,
tietojen, taitojen, taikojen aika,
laulujen, urhojen aika.
Jolloin suur' oli Suomeni valta,
laaja laulun ja soiton maa:
Vienan päältä ja Valdain alta
Suvannon suurten vetten taa.
Jolloin Suomeni kansa sorja,
ollut ei lännen, ei ounaan orja,
jolloin Kalevan kalpa löi
ja leimusi tietäjän taika.
Kauvas valliten merta kahta
Permin purret kulki,
kauvas kaartaen Pohjanlahta
Kainuu satamat sulki.
Loitos Karjalan kannel kaikui,
kauvas kantoi Jäämin jous,
Taara-huutoja rannat raikui,
kussa Yösalon purret sous.
Silloin suur' oli Suomen kansa,
Suomen leijona voimassansa,
silloin heimoni kunniaa
koko Pohjola julisti julki.
Josp' ois Väinämö harmaapäinen
silloin tarttunut valtikkaan,
taikka lähtenyt Lemminkäinen
sukunsa suurena kulkemaan,
noussut heimonsa herttuaksi,
veljeskansojen kaitsijaksi,
Väinän rannoilta Ruijan suulle
torvien soida suonut!
Vaan ei kutsua kuullut kansa,
raikunut torven tahti
kansa ei tietänyt Kalevan tiestä,
veli ei tuntenut veikkoaan.
Josp' ois astunut silloin miesi,
kansani yhtehen tuonut,
temmannut miekkasi, rastinut tiesi,
valtasi vaajat luonut!
Eerlijkheid en Eer aan de Noorden
De tijd van Väinämö is eindelijk aangebroken,
De heldentijd van mijn Finland,
tijd van kennis, vaardigheden, en magie,
tijd van zang en helden.
Toen was de macht van Finland groot,
breed uitgestrekt het land van lied en muziek:
Vanuit Viena en van onder Valdai,
achter de grote wateren van Suvanto.
Toen was het Finse volk vrij,
geen slaaf van het westen of het oosten,
toen sloeg de zwaard van Kaleva
en schitterde de magie van de wijze.
Ver weg heersend over twee zeeën
voer de boten van Perm,
ver weg om de Botnische Golf
sloten de havens van Kainuu.
Van ver klonk de harp van Karelië,
ver droeg de boog van Jäämi,
De kreten van Taara weerklonken,
daar waar de boten van Yösalo voeren.
Toen was het Finse volk groot,
de Finse leeuw in zijn kracht,
toen deed mijn volk zijn eer
in heel het Noorden horen.
Als Väinämö met grijs haar
de staf had opgepakt,
of als Lemminkäinen was vertrokken
terwijl zijn nageslacht wandelde,
verrezen als hertog van zijn volk,
bewaker van broedervolken,
van de stranden van Väinä naar het einde van Noorwegen
had hij de klanken van de trompetten laten horen!
Maar het volk hoorde geen roep,
de klank van de trompet weerklonk niet,
een volk kende het pad van Kaleva niet,
en broeder kende zijn broeder niet.
Als er toen een man was geweest,
het volk samen had gebracht,
zijn zwaard had getrokken, zijn weg had gekruist,
had hij de veroveraar gevoed!