Matita Perê
No jardim das rosas
De sonho e medo
Pelos canteiros de espinhos e flores
Lá, quero ver você
Olerê, Olará, você me pegar
Madrugada fria de estranho sonho
Acordou João, cachorro latia
João abriu a porta
O sonho existia
Que João fugisse
Que João partisse
Que João sumisse do mundo
De nem Deus achar, Ierê
Manhã noiteira de força viagem
Leva em dianteira um dia de vantagem
Folha de palmeira apaga a passagem
O chão, na palma da mão, o chão, o chão
E manhã redonda de pedras altas
Cruzou fronteira de servidão
Olerê, quero ver
Olerê
E por maus caminhos de toda sorte
Buscando a vida, encontrando a morte
Pela meia rosa do quadrante Norte
João, João
Um tal de Chico chamado Antônio
Num cavalo baio que era um burro velho
Que na barra fria já cruzado o rio
Lá vinha Matias cujo o nome é Pedro
Aliás Horácio, vulgo Simão
Lá um chamado Tião
Chamado João
Recebendo aviso entortou caminho
De Nor-Nordeste pra Norte-Norte
Na meia vida de adiadas mortes
Um estranho chamado João
No clarão das águas
No deserto negro
A perder mais nada
Corajoso medo
Lá quero ver você
Por sete caminhos de setenta sortes
Setecentas vidas e sete mil mortes
Esse um, João, João
E deu dia claro
E deu noite escura
E deu meia-noite no coração
Olerê, quero ver
Olerê
Passa sete serras
Passa cana brava
No brejo das almas
Tudo terminava
No caminho velho onde a lama trava
Lá no todo-fim-é-bom
Se acabou João
No Jardim das rosas
De sonho e medo
No clarão das águas
No deserto negro
Lá, quero ver você
Lerê, lará
Você me pegar
Potlood Perê
In de tuin van rozen
Van dromen en angst
Langs de bedden van doornen en bloemen
Daar wil ik je zien
Olerê, Olará, je moet me pakken
Koude ochtend van een vreemde droom
Wakkerde João, de hond blafte
João opende de deur
De droom bestond
Dat João zou vluchten
Dat João zou vertrekken
Dat João van de wereld zou verdwijnen
Zodat zelfs God hem niet zou vinden, Ierê
Nachtelijke ochtend van een sterke reis
Brengt een dag van voordeel voorop
Palmblad dooft de doorgang
De grond, in de palm van de hand, de grond, de grond
En ronde ochtend van hoge stenen
Kruiste de grens van dienstbaarheid
Olerê, ik wil je zien
Olerê
En over slechte paden van allerlei soort
Zoekend naar het leven, de dood vindend
Door de halve roos van het noorden
João, João
Een zekere Chico genaamd Antônio
Op een schimmel die een oude ezel was
Die in de koude baai al de rivier was overgestoken
Daar kwam Matias, wiens naam Pedro is
Trouwens Horácio, bijgenaamd Simão
Daar een genaamd Tião
Genaamd João
Ontvangend een bericht boog hij de weg
Van Nor-Noordoost naar Noord-Noord
In het halve leven van uitgestelde sterfgevallen
Een vreemde genaamd João
In het licht van het water
In de zwarte woestijn
Om niets meer te verliezen
Moedig angst
Daar wil ik je zien
Over zeven wegen van zeventig soorten
Zevenhonderd levens en zevenduizend doden
Deze ene, João, João
En het werd een heldere dag
En het werd een donkere nacht
En het werd middernacht in het hart
Olerê, ik wil je zien
Olerê
Over zeven bergen
Over ruwe suikerriet
In de moeras van zielen
Eindigde alles
Op het oude pad waar de modder vastloopt
Daar in het alles-eindigt-goed
Is João geëindigd
In de tuin van rozen
Van dromen en angst
In het licht van het water
In de zwarte woestijn
Daar wil ik je zien
Lerê, lará
Je moet me pakken