Sterven te Antwerpen
De stenen engel aan de Cathedraal
Heft zijn balans te middernacht voor die bezwijken
Het heir der luizen kraakt. De katten zijken
In kromme gangen waar geen tocht door jaagt
Gelegerd op de terpen van het zwijgen
Ten voeten uit onder een schors van slaap
Het strottenbloed gestremd, de schedel kaal
Geplukt, stinken de Hanen van het lijden
Hier gaan de kralen van de rozenkrans verloren;
Van huid en haar geen raadsel overblijft
Waar ledigheid in ledigheid wil wonen
Het huis van kamers en de stad van straten:
Ai, laat de klok met rust. Telt goud, drinkt wijn
Het vuil rot ondergronds. Bidt niet voor het geraamte
Sterben in Antwerpen
Der steinerne Engel an der Kathedrale
Hält seine Waage um Mitternacht für die, die zusammenbrechen
Das Heer der Läuse knackt. Die Katzen schleichen
In krummen Gängen, wo kein Zug hindurchweht
Lagern auf den Hügeln des Schweigens
Zu Füßen unter einer Rinde des Schlafs
Das Blut im Hals gestaut, der Schädel kahl
Geplündert, stinken die Hähne des Leidens
Hier gehen die Perlen der Rosenkranz verloren;
Von Haut und Haar bleibt kein Rätsel zurück
Wo Leere in der Leere wohnen will
Das Haus der Zimmer und die Stadt der Straßen:
Ach, lass die Uhr in Ruhe. Zählt Gold, trinkt Wein
Der Dreck verrottet unter der Erde. Bittet nicht für das Gerippe