395px

De Indiërs van Meia Praia

Zeca Afonso

Os Índios da Meia Praia

Aldeia da Meia-Praia
Ali mesmo ao pé de Lagos
Vou fazer-te uma cantiga
Da melhor que sei e faço
De Monte-Gordo vieram
Alguns por seu próprio pé
Um chegou de bicicleta
Outro foi de marcha a ré
Houve até quem estendesse
A mão a mãe caridade
Para comprar um bilhete
De paragem para a cidade

Oh, mar, que tanto forcejas
Pescador de peixe ingrato
Trabalhaste noite e dia
Para ganhares um pataco
Quando os teus olhos tropeçam
No voo duma gaivota
Em vez de peixe vê peças
De ouro caindo na lota

Quem aqui vier morar
Não traga mesa nem cama
Com sete palmos de terra
Se constrói uma cabana
Uma cabana de colmo
E viva a comunidade

Quando a gente está unida
Tudo se faz de vontade
Tudo se faz de vontade

Mas não chega a nossa voz
Só do mar tem o proveito
Quem se aproveita de nós
Tu trabalhas todo o ano
Na lota deixam-te mudo
Chupam-te até ao tutano
Chupam-te o couro cab'ludo
Quem dera que a gente tenha
De Agostinho a valentia
Para alimentar a sanha

De esganar a burguesia
Diz o amigo no aperto
Pouco ganho, muita léria
Hei-de fazer uma casa
Feita de pau e de pedra
Adeus disse a Monte-Gordo
(Nada o prende ao mal passado)
Mas nada o prende ao presente
Se só ele é o enganado

Foram ficando, ficando
Quando um dia um cidadão
Não sei nem como nem quando
Veio à baila a habitaçao
Mas quem tem calos no rabo
E isto não é segredo
É sempre desconfiado
Poe-se atrás do arvoredo
Oito mil horas contadas
Laboraram a preceito
Até que veio o primeiro

Documento autenticado
Veio um cheque pelo correio
E alguns pedreiros amigos
Disse o pescador consigo
Só quem trabalha é honrado

Quem aqui vier morar
Não traga mesa nem cama
Com sete palmos de terra
Se constrói uma cabana
Eram mulheres e crianças
Cada um c'o seu tijolo

Isto aqui era uma orquestra
Quem diz o contrário é tolo
E toda a gente interessada
Colabarou a preceito
Vamos trabalhar a eito
Dizia a rapaziada

Não basta pregar um prego
Para ter um bairro novo
Só unidos venceremos
Reza um ditado do Povo
E se a má língua não cessa
Eu daqui vivo não saia
Pois nada apaga a nobreza
Dos índios da Meia-Praia

Quem vê na praia o turista
Para jogar na roleta
Vestir a casaca preta
Do malfrao capitalista
Foi sempre a tua figura
Tubarão de mil aparas
Deixar tudo à dependura
Quando na presa reparas
Das eleiçoes acabadas
Do resultado previsto
Saiu o que tendes visto

Muitas obras embargadas
Mas não por vontade própria
Porque a luta continua
Pois é dele a sua história
E o povo saiu à rua
Mandadores de alta finança
Fazem tudo andar pra trás

Dizem que o mundo só anda
Tendo à frente um capataz
E toca de papelada
No vaivém dos ministérios
Mas hão-de fugir aos berros
Inda a banda vai na estrada
Eram mulheres e crianças
Cada um c'o seu tijolo
Isto aqui era uma orquestra
Quem diz o contrário é tolo

De Indiërs van Meia Praia

Dorp van Meia-Praia
Daar vlakbij Lagos
Ik ga je een liedje maken
Van het beste dat ik weet en doe
Van Monte-Gordo kwamen
Enkele op eigen kracht
De één kwam op de fiets
De ander reed achteruit
Er waren zelfs die hun hand uitstaken
Naar moederliefde
Om een kaartje te kopen
Voor een rit naar de stad

Oh, zee, die zo hard werkt
Visser van onwaardige vis
Je werkte dag en nacht
Om een cent te verdienen
Wanneer je ogen struikelen
Over de vlucht van een meeuw
In plaats van vis zie je stukken
Goud vallen op de veiling

Wie hier komt wonen
Brengt geen tafel of bed mee
Met zeven palmen grond
Bouw je een hut
Een hut van riet
En leve de gemeenschap

Als we samen zijn
Wordt alles gedaan met wil
Wordt alles gedaan met wil

Maar onze stem komt niet verder
Alleen de zee profiteert
Wie zich aan ons vergrijpt
Jij werkt het hele jaar
In de veiling laten ze je stil
Ze zuigen je tot op het bot
Ze zuigen je huid leeg
Wie zou willen dat we
De moed van Agostinho hebben
Om de woede te voeden

Om de bourgeoisie te wurgen
Zegt de vriend in de knel
Weinig winst, veel geklets
Ik zal een huis bouwen
Van hout en steen
Vaarwel zei hij tegen Monte-Gordo
(Niets houdt hem vast aan het verleden)
Maar niets houdt hem vast aan het heden
Als hij de enige is die bedrogen is

Ze bleven maar blijven
Toen op een dag een burger
Ik weet niet hoe of wanneer
Kwam de woning ter sprake
Maar wie blaren op zijn kont heeft
En dat is geen geheim
Is altijd wantrouwend
Verbergt zich achter de bomen
Achtduizend uur geteld
Werkt als het moet
Totdat de eerste kwam

Geverifieerd document
Er kwam een cheque per post
En enkele vrienden metselaar
Dacht de visser bij zichzelf
Alleen wie werkt is geëerd

Wie hier komt wonen
Brengt geen tafel of bed mee
Met zeven palmen grond
Bouw je een hut
Het waren vrouwen en kinderen
Iedereen met zijn eigen baksteen

Dit hier was een orkest
Wie het tegendeel zegt is dom
En iedereen die geïnteresseerd was
Werkte zoals het moest
Laten we hard werken
Zei de jongens

Het is niet genoeg om een spijker te slaan
Om een nieuwe wijk te hebben
Alleen samen zullen we overwinnen
Zegt een gezegde van het Volk
En als de roddel niet stopt
Zal ik hier blijven wonen
Want niets dooft de nobelheid
Van de Indiërs van Meia-Praia

Wie op het strand de toerist ziet
Om te gokken op de roulette
De zwarte jas aan te trekken
Van de slechte kapitalist
Was altijd jouw figuur
Haai van duizend schalen
Alles aan de haak laten hangen
Wanneer je op de prooi let
Van de afgelopen verkiezingen
Van het verwachte resultaat
Kwam eruit wat je hebt gezien

Veel werken geblokkeerd
Maar niet uit eigen wil
Omdat de strijd doorgaat
Want het is zijn verhaal
En het volk ging de straat op
De hoge financiers
Laten alles achteruitgaan

Ze zeggen dat de wereld alleen draait
Met een opzichter voorop
En het papierwerk
In de heen en weer van de ministeries
Maar ze zullen schreeuwend vluchten
De band gaat nog steeds op de weg
Het waren vrouwen en kinderen
Iedereen met zijn eigen baksteen
Dit hier was een orkest
Wie het tegendeel zegt is dom