Az Ünnep
A ritka percek selyemszalagját most együtt bontsuk fel,
A számlát úgysem veszíthetjük el, most mégis rejtsük el,
S mint szelíd kéz a lázas gyermek forró homlokán,
S mint rossz álom, ha felriaszt, és odabújsz hozzám,
Olyan jó-jó-jó, de mondd, hány perc az ünnep?
Ó,ó mondd-mondd-mondd-mondd-mondd, mondd, meddig tart?
A béke, nehogy végleg elfelejtsd, üzen, hogy létezik,
Mondd, meglep-e, ha átnyújtom neked az ünnep perceit?
Csak félrekapcsolt csengetés, ha drága hangot vársz
Vagy régi zsebben maradt pénz, mit szűk napon találsz
Ó,ó mondd-mondd-mondd-mondd-mondd, mit ér az ünnep?
Ó,ó mondd-mondd-mondd-mondd-mondd, mondd, meddig tart?
S mint szelíd kéz a lázas gyermek forró homlokán,
S mint rossz álom, ha felriaszt, és odabújsz hozzám,
Olyan jó-jó-jó, de mondd, hány perc az ünnep?
Ó,ó mondd-mondd-mondd-mondd-mondd, mondd, meddig tart?
Het Feest
Laten we samen de zijden linten van deze zeldzame momenten losmaken,
De rekening kunnen we toch niet verliezen, laten we hem nu verbergen,
En zoals een zachte hand op het warme voorhoofd van een koortsig kind,
En zoals een slechte droom die je wekt en je naar me toe laat kruipen,
Het is zo fijn-fijn-fijn, maar zeg, hoe lang duurt het feest?
Oh, oh zeg-zeg-zeg-zeg-zeg, zeg, hoe lang gaat het door?
De vrede, vergeet niet dat die bestaat, geeft een teken dat ze er is,
Zeg, verrast het je als ik je de momenten van het feest geef?
Het is slechts een verkeerd verbonden bel, als je op een kostbare stem wacht,
Of geld dat in een oude zak is blijven zitten, dat je op een krappe dag vindt,
Oh, oh zeg-zeg-zeg-zeg-zeg, wat is het feest waard?
Oh, oh zeg-zeg-zeg-zeg-zeg, zeg, hoe lang gaat het door?
En zoals een zachte hand op het warme voorhoofd van een koortsig kind,
En zoals een slechte droom die je wekt en je naar me toe laat kruipen,
Het is zo fijn-fijn-fijn, maar zeg, hoe lang duurt het feest?
Oh, oh zeg-zeg-zeg-zeg-zeg, zeg, hoe lang gaat het door?